zeskamp

Ach, de buurtzeskamp maakte veel duidelijk.
Vooral, dat het mij en meneer Jaling niet meezat die dag.
Al weken was ik aan het trainen geweest nadat ik vernomen had van de zeskamp en de prijzen die daarbij gewonnen konden worden. Ik was een kind, en voor hen was er speciale competitie samengesteld.
Zo moesten we onder andere boogschieten, hardrennen en zaklopen. Het laatste vond ik een nogal onnozel onderdeel, want waarom halsbrekend naar de eindstreep met een jutezak om je benen als je er zo ook heen kunt lopen.
Maar goed, ik had het niet georganiseerd.
Na het eerste onderdeel begreep ik dat ik de prijzen moest zien te bemachtigen bij het hardrennen. Bij dat eerste onderdeel, het boogschieten, bleek namelijk al vlug dat ik in het Wilde Westen een tamelijk beroerde indiaan zou geweest zijn. Na de boog met mijn kleuterknuistjes gespand te hebben, richtte ik op het houten bord een vijfentwintig meter verder.
Tenminste, in die veronderstelling was ik. Echter, nu werd hier niet alleen duidelijk dat mij dit bijzonder zwaar viel, er is nogal wat kracht vereist, en tevens werd hier de vraag beantwoord waarom ik een half jaar later een brilletje kreeg. Ik zag namelijk helemaal geen houten bord!
Mocht je dit in het Wilde Westen overkomen en er galopperen een twintig cowboys langs kun je nog eens lukraak rondschieten en hopen, maar bij een zeskamp wordt toch meer precisie vereist. Aan het resultaat waren de omstanders overigens zelf ook enigszins debet.
Vlak voordat ik de pijl losliet hoorde ik nog iemand roepen:
´Het bord is daa... Bukken!´  
Een domme opmerking, want, ik dacht namelijk dat ik wel wist waar het bord zich bevond, en waarom ik zou moeten bukken was mij op dat moment een raadsel.
´Ho!´ was veel beter geweest, want dan was ik gestopt.
Nu veronderstelde ik een list van iemand die ook een prijs wilde bemachtigen, en besloot daar dus niet in te trappen en gewoon te schieten. Hetgeen je dan ook doet, waarna een nog weinig eerder voorgekomen brul mijn trommelvliesjes bereikte.
Meneer Jaling, zo begreep ik even later, kon het hardrennen voor die dag wel vergeten. Misschien, dat hij bij het hink-stap-sprong nog een poging kon wagen, want de pijl die hij achter uit zijn dijbeen trok, maakte alleen de gedachte al aan het volledig gebruik van beide benen totaal onbespreekbaar.
Met een van pijn vertrokken gezicht, wit als een laken en ogen die weinig goeds voorspelden voor deze kleine Winnitoe, hinkstaptte en sprong hij op mij af.
Duidelijk met de intentie mij te laten zien hoe cowboys heel lang geleden op dergelijke acties reageerden. Gelukkig onderbrak mijn vader meneer Jaling zijn voornemen met een korte, maar doeltreffende manoeuvre van zijn elleboog, gevolgd door een dubbele nelson, waarna de rust even later weer terugkeerde in het kamp.
Dat is mij later tenminste thuis verteld, ik heb het zelf niet gezien; toen meneer Jaling op mij afstevende besloot ik dat een korte training voor het hardrennen nooit overbodig kon zijn.