Vlot

Ik was twaalf jaar toen ik samen met Bert en Wim op de bank in onze woonkamer zat te kijken naar een avonturenfilm. Dat was een vast ritueel geworden. Op de vrije woensdagmiddag, bij een van ons thuis, met een glas cola voor je neus naar een film kijken. Ivanhoe was onze favoriet, maar als Ivanhoe eens een snippermiddag had, kon een wat minder heldhaftig figuur er ook wel mee door.
Deze dag zagen we een film over Barras. Een jochie uit Athene dat een vlot bouwde, op uiterst vernielzuchtige wijze een stuk of wat piratenschepen tot zinken bracht, zo Athene redde, en met een gezicht of had hij de Postcodeloterij gewonnen, door een juichende menigte werd binnengehaald.
Terugblikkend, een vergezochte film. Ze kennen daar helemaal geen Postcodeloterij, maar voor jochies van twaalf jaar een inspirerend schouwspel. Zo inspirerend, dat wij ook een vlot wilden.
“Waar gaan we het vlot bouwen?” vroeg ik.
“Bij ons achter!” antwoordde Bert. “Daar is een vijver.”
“Ach, daar is niks aan.” reageerden Wim en ik gezamenlijk. “In de vijver kun je staan!”
Ja, het moest natuurlijk wel een beetje realistisch zijn. Het strand leek ons de ideale plek. We spraken af de aankomende zaterdag daar het vlot in elkaar te zetten, en daarna direct een tochtje te gaan maken.
“Maar waar halen we al dat hout en zo vandaan?” stelde Bert een goede vraag. Gelukkig wisten Wim en ik nog een leuk huisje dat in aanbouw was, en ons geheel in onze behoefte kon voorzien. Spijkers had mijn vader wel, en bij het oude tramstation, zo wisten wij, lagen nog een paar oude tonnen.
Binnen een uur hadden wij die zaterdag een vlot, en met een paar lange stokken duwden Wim en ik, er was maar plaats voor twee zodat Bert even wachten moest tot wij terug waren, onze trots naar dieper water. We hoefden niet hard te duwen, als ervaren gondeliers dreven we weg van het strand van Lemmer. Daarnaast hadden wij de wind mee.
Geheel in ons nopjes begonnen wij wat scheepstaal uit te slaan, genoten van de meeuwen boven ons, en voelden ons ware boekaniers. Heldhaftig speurden wij het water af naar schepen die zich verdacht ophielden voor de kust van Lemmer. Ondanks onze geringe lengtes, klaar ons dorp te verdedigen tegen welke vorm van agressie dan ook vanaf het water.
We keerden pas in de realiteit terug, toen Wim en ik met onze stokken, bijna gelijktijdig, de grond niet meer raakten, achteromkeken en zagen dat Bert een klein stipje geworden was. Terwijl een kleine paniekaanval zich van ons meester maakte, probeerden wij met onze stokken te roeien. Hetgeen leuk is voor de armspieren, maar je schiet er weinig mee op. Tot overmaat van ramp begon de wind ook nog aan te trekken, en werden de golven hoger. We werden nat. Gelukkig was het water niet al te koud voor de tijd van het jaar, het was November, en minstens drie graden Celsius.
Terwijl wij ons best deden op het vlot te blijven staan, keek ik nog eens naar het strand, en kon Bert niet meer zien. Dat bleek later ook wel te kloppen, want die was al naar huis gerend om zowel mijn vader, als die van Wim te waarschuwen. Dezelfde ouders die wij, tot wederzijds ongenoegen, in de politieboot die ons uit deze hachelijke situatie kwam redden, onder ogen moesten komen.
Veel verder zal ik er niet over uitweiden,
maar ik kan u verzekeren dat Barras beslist een beter onthaal kreeg.