Vliegende Spreeuw

 Na onze Floris en Sindala-tijd raakten Koop en ik op elfjarige leeftijd geheel verknocht aan de indianen. Tenminste die uit Noord-Amerika, u weet wel: die stammen die niet keken op een haarstukje meer of minder. De oorzaak van ons gevoel van verbondenheid met dit volk lag volgens mij in het feit dat de indianen in het begin van het toenmalige kolonisatieproces, vaak totaal verkeerd werden begrepen. Koop en ik kenden die problematiek namelijk ook. En zeker Koop. Want, hoewel geestverwanten, begreep ik hem zelf soms amper. Later werden de indianen overigens beter begrepen, maar toen was het al te laat, het was reeds 1980. Nu mag bekend zijn dat als Koop zich ergens op stort, hij dat met volle overgave doet. Zo ook nu. Hij ging zelfs zo ver dat wij met een gerust hart kunnen stellen dat Koop indiaan werd. Persoonlijk had ik daar weinig last van. Goed, hij keurde het af dat ik niet, net als hij de gehele dag in een juchtleren indianenoutfit en op Scapino-moccasins rond paradeerde, maar hij zeurde er niet over. Al in het begin van Koop zijn nieuwe carriere stelde hij voor, aangezien wij al jaren elkaars kameraad waren, om bloedbroeders te worden.
"Hoe bedoel je, bloedbroeders?" vroeg ik nieuwsgierig, terwijl ik een polikliniek voor ogen kreeg.
"Dat doen onze broeders op de vlaktes ook." sprak hij kalm.
"We snijden ons in onze rechterhand, waarna het natuurlijk gaat bloeden, daarna geven we elkaar de hand, zodat ons bloed vermengd raakt, we zeggen een spreuk en dan zijn wij bloedbroeders. Bloedbroeders kunnen altijd op elkaar vertrouwen. Ik heb gesproken!"
Even dacht ik weigeren; als ik het zo hoorde kreeg Koop nu al veel te weinig bloed door zijn hersenen, wie wist wat er zou gaan gebeuren als ik met zijn voorstel zou instemmen en hij zodoende nog meer bloed verliezen? Ik was overigens blij dat hij dat van dat vertrouwen er bij zei. De reden ook waarom ik uiteindelijk toch toegaf. Altijd toegeven aan iemand die denkt dat hij echt een indiaan is, dat soort mensen kunnen vreemd uit de hoek komen als ze kwaad worden. Nee, het geschiedde zoals Vliegende Spreeuw, een naam door Koop zelf gekozen, het wilde. Ik sneed mij eerst in mijn hand. Een klein sneetje, ik was niet helemaal achterlijk vanzelf, maar ik voelde weinig. Het fileermes was vlijmscherp en het bloed vloeide rijkelijk. Vliegende Spreeuw had dit alles met een koele gelaatsuitdrukking geobserveerd, sneed zichzelf ook in zijn palm, maar vergistte zich blijkbaar in de zojuist beschreven scherpte van het mes en ging een weinig te diep. Nu weet u, net als ik, dat een echte indiaan geen pijn kent, en zeker niet laat merken. Koop wist dat ook, wist tevens dat ik dat wist en moest zodoende een uiting van een niet te omschrijven pijn onderdrukken. En, toegegeven, dat lukte Vliegende Spreeuw ook. Goed, zijn linkeroog trok van afgrijzen schuin de kas weer in, en de stand van zijn voortanden hebben een kleine verticale wijziging ondergaan van het bijten op de lip, maar je hoorde niets. Nadat hij de pijn enigszins verdragen kon, stak hij zijn hand uit, ik de mijne en ik wachtte op de spreuk. Denkend dat Koop die wel zou weten, maar ook hij zweeg.
"De spreuk!" sprak ik. Ik zag hem denken, of misschien nog steeds de pijn verbijten. Hoe dan ook, ineens sprak hij de woorden die schijnbaar bij een dergelijk ritueel horen:
"Wij zijn bloedbroeders."
Er gingen weken voorbij. Weken waarin Zingende Krekel of Vliegende Spreeuw of hoe Koop zichzelf ook noemde de naaste omgeving danig op de proef stelde. Hij ging in vol tenue naar school. Niemand trouwens die hem daar in de maling nam, want hij had zijn pijl en boog bij zich. Thuis zat hij in de kleermakerszit, of indianenzit, ik weet niet wie er het eerst waren, en keek voortdurend westerns. Ook zijn ouders kregen er ondertussen genoeg van. Hadden ze zich tot nu toe bij de regendansen nog zeer tolerant opgesteld, de bekende druppel kwam toen Koop een pijp wilde opsteken, om te laten zien dat hij niet op oorlogspad was. Zijn vader, die door Vliegende Spreeuw voortdurend met Big Chief werd aangesproken, gaf hem een goedbedoeld standje, waarna Koop meldde dat hij niets met de regels van bleekgezichten te maken had.
Nu verloor Koop zijn vader enigszins zijn zelfbeheersing, deed eerst de achterdeur open en liet daarna zien waarom, achteraf gezien, de naam Vliegende Spreeuw nog niet eens zo gek gekozen was.