Veiling

Mensen zwaaien teveel. Hoewel het zwaaien naar een ander meestal gecombineerd wordt met een begroeting en we nogal eens iemand tegenkomen, is het soms toch beter de drang om te zwaaien in de kiem te smoren. Men kan anders nog voor minder prettige verrassingen komen te staan. Zoals Fred, een kennis.
“Wil jij nog steeds een kip?” vroeg hij mij ooit op een maandagochtend. Weken daarvoor had ik hem verteld dat het mij wel gezellig leek zo’n tokkend beestje in de tuin te laten scharrelen, en klaarblijkelijk was hij dat nog niet vergeten.
“Hoezo? Weet je iemand, dan?”
“Aankomend zaterdag worden er dieren per opbod verkocht bij de boerderij van oude Wilkens. Paarden, koeien, en ook kippen. Hoorde ik vrijdagavond bij de zeilvereniging.”
“Kan altijd even gaan kijken.”
“Zo is het. Ik ga er zelf zaterdag ook heen. Nog nooit meegemaakt, lijkt mij wel geinig.”
De desbetreffende zaterdag was ik er al vroeg en ik nam plaats op een van de houten stoelen, die in rijen waren opgesteld voor potentiële kopers. Hoewel hij had gezegd dat hij zou komen, was Fred nog niet gearriveerd. Dat deed hij pas toen hij toen de veiling een kwartier oud was, en de veilingmeester probeerde een koe te verkopen. Maar er was niet veel belangstelling. Logisch, het dier zag er niet uit. Mager, een suffe blik en wallen onder de ogen, en een zeer nonchalante houding. Toch deed iemand achter mij een bod, hetgeen mij verbaasde, zodat ik mij omdraaide, en terwijl ik dat deed, zag ik Fred binnenkomen. Hij zag mij ook, en zwaaide. Dat dit nogal een onnozele, en tevens een gevaarlijke handeling op een veiling is, had Fred niet direct in de peiling, maar toen de koe hem gebracht werd, met de mededeling dat hij bij de ingang betalen kon, viel het kwartje.
Een uur later, de veiling was afgelopen, stonden wij weer buiten. Ik zonder kip.
Fred, ondanks zijn protesten, met de koe.
“Waar moet ik een koe laten?” vroeg Fred met een lichte paniek in zijn stem. Het leek ons een goed idee eerst maar eens naar huis te gaan, en we liepen het erf af. Fred met Clarabella aan de hand, en ik met twee fietsen. Hetgeen prima ging totdat het arme dier halverwege ineens ophield met lopen.
“Misschien heeft ze last van haar meniscus.” opperde ik, want dat leek mij bij dit dier beslist niet vreemd.
“Ik zal haar een tikkie geven.” antwoordde Fred, en gaf het dier een pets boven de staart. Dat hielp. De koe schrok, en begon weer te lopen. Toen wat sneller te lopen, waarna ze overging in draf, onderwijl Fred meesleurend aan het touw dat bij de koop zat inbegrepen. Aangezien de conditie van de koe toch nog beter was dan die van Fred, maar hij haar natuurlijk niet los kon laten, besloot hij, met hevige ademhalingsproblemen, op het einde van de straat op haar rug te springen.
Vlak voordat ze hoek omgingen, zag ik dat het hem lukte rechtop te zitten, waarna ze uit mijn gezichtsveld verdwenen.
De volgende dag hoorde ik dat het dier, het tegemoetkomende verkeer ondertussen geheel negerend, nog een kwartier aan het rennen is geweest. Alsmede de verkeersregels, zodat Fred de dood een keer of vijf in de ogen had gekeken.
Zo ziet maar. Zwaai niet teveel, en zeker niet overal.