Uitvinder

Wat maar zeer weinig mensen weten is dat een voorvader van mij, Lambertus genaamd, rond het jaar zeventienhonderd niet alleen bekend stond als parttime boekanier, maar ook als uitvinder. Op ieder familiefeest wordt dit feit door ons besproken, en wij zijn reuzetrots dat de goede man zo nuttig voor de maatschappij mocht zijn. Want het zal ongetwijfeld prachtig zijn geweest wat hij allemaal heeft uitgedokterd. Al had hijzelf weinig notie van deze bestempeling, en al snel rijst dan de vraag: hoe was dat nu mogelijk? Dat weet ik ook niet, maar het antwoord op die vraag lijkt mij even simpel als paradoxaal. Ten eerste moet de man gewoonweg niet beseft hebben wat hij in zijn vrije tijd voor geweldigs realiseerde. Tevens moeten dit zaken geweest zijn, waarvan hij de gevolgen niet kon overzien. In deze bewering ligt overigens niet de verklaring dat ons geslacht tegenwoordig een behoorlijk aantal leden telt. Dat gaat mij te ver. Daarnaast moet hij een behoorlijk logisch denkvermogen gehad hebben, anders kom je niet tot het duurzaam oplossen van problemen. Hier voel ik mij persoonlijk wel verwant met Lambertus. Maar goed, ik dwaal af.
Om erachter te komen hoe hij bekend kon staan als uitvinder, maar dit niet besefte, lijkt het mij het verstandigst dat wij teruggaan naar een dag uit het leven van de beste man. Dan zullen we het antwoord gauw genoeg te weten komen. Historisch verantwoord, want ons geslacht heeft eeuwenlang dagboeken bijgehouden, die door erfenissen bewaard zijn gebleven. We zijn gedekt tot vijftienhonderd. U in de tijd mee terugnemen is dan ook een eenvoudig klusje, want een van de dagboeken die de periode van Lambertus omslaat, is geschreven door zijn bloedeigen vrouw. En ik meen mij te herinneren dat er in de kaft zelfs een inhoud werd gegeven. Eens even kijken…Ah, hier heb ik het. Inhoud… Ja! Hoofdstuk 7: Uitvinden.
Ik begin van bovenaan te lezen, en geef u de gehele tekst. Het is niet veel, maar misschien dat we er iets wijzer van worden. Om niet te veel verwarring te veroorzaken, herschrijf ik het hier echter wel. U begrijpt dat er in die dagen weinig onderwijs was, en er zitten nogal wat taalfouten in. Laten wij beginnen.
- Ik maak een rookgeleider in de kamer. Dan zien we elkaar wat vaker als ik thuis ben, beloofde Lambertus mij verleden week. Ik wist niet wat het was, maar hij zei dat het een uitvinding was. Zijn eerste. Wil hij vaker doen: uitvinden. Vindt ‘ie leuk. Toen het ding klaar was, heeft Lambertus al onze vrienden uitgenodigd en de buren. Wat een volk.
- Als ik nu het vuur in de kamer aansteek, zorgt de rookgeleider ervoor dat de rook naar buiten gaat, zo vertelde hij. Eerst zien, dacht ik nog. En ik moet het nog zien, want het ding begon zelf te branden. Waarna trouwens wel bleek dat zo’n uitvinding erg handig kan zijn, want we zagen daarna amper een hand voor ogen, en konden ons nog maar net het vege lijf redden.
- Lambertus is nu bezig met zijn tweede uitvinding: hoe hij het dak van ons huis en dat van de buren, weer dicht krijgt.
Tot zover het dagboek.
U begrijpt dat dit niet datgene is wat ik bedoel.
Misschien dat een ander dagboek meer duidelijkheid verschaft.
Eens even kijken…