tandarts

Velen onder ons krijgen spontaan zweetdruppels tussen de schouderbladen of darmklachten,
hartkloppingen met een hoog rock en roll gehalte, en emigratieplannen,
als het weer tijd is voor de controle bij de tandarts.
Met trillende handen en bevende stem wordt de hoorn ter hand genomen
om een afspraak te maken voor een, naar verwachting, half uur authentieke horror.
Terwijl de stem van de beslist niet meelevende secretaresse van de tandarts
nog nagalmt, wordt tot de bewuste datum de Norit ter hand genomen,
en worden yoga-oefeningen,
in een poging voor het slapen gaan de ademhaling nog enigszins te reguleren, dagelijkse routine.
Met een verheugd hart kan ik u meedelen dat ik niet meer tot deze categorie mensen behoor.
Ik ben tussen mijn achtste en elfde levensjaar patiënt geweest bij de meest brute tandarts
die er ten westen van Peking rond moet lopen, en aangezien ik van
tandarts ben veranderd ga ik sindsdien fluitend richting boor, trekgerei, en verdovingsspuit.
De angst voor mijn oude tandarts begon toen ik hem, voor de eerste keer,
maar eens alleen moest visiteren van mijn ouders.
Bij het binnenstappen snakte ik al naar adem door de geur die er hing,
en die zoveel pijnlijke herinneringen naar boven bracht.
Eenmaal in de cockpit gelegen begon hij mijn gebit te onderzoeken,
altijd handig, en sprak daarbij steevast hardop.
“Ja, ja, die kies die moet worden getrokken.” klonk het dit keer onheilspellend,
terwijl hij mijn onderlip op mijn borstkastje probeerde te trekken,
en met de haak en het spiegeltje net deed alsof ik geen gehemelte had.
“Die hoektand, dat kan weleens een zenuwvulling worden.”
En zo ging hij maar door. Alsof ik geen melkgebit had, maar net was opgegraven.
Nadat meneer zijn onderzoek voltooid had werd er begonnen met het reparatiewerk.
“Doe je mond maar even open. Dan zal ik eens zien wat ik kan doen.”
Ik hoorde de boor, en voelde even later een hevige pijn: van verdovingen
hield hij niet en van vragen nog minder.
Ik probeerde met mijn hoofd wat omhoog te komen zodat de boor niet ineens te diep
mijn tand zou binnendringen, maar dat bemerkte hij onmiddellijk
waarna hij wat meer kracht zette.
De pijn werd nu, net als het geluid van de boor, bijna ondraaglijk.
Ook mijn bovenlip, die tussen zijn knokkel en mijn bovengebit bekneld zat,
deed gruwelijk haar best om op te vallen. Maar zeg maar eens iets, als jochie van acht,
met een draaiende boor en drie vingers in je mond,
en een beknelde lip die je langzaam voelt opzwellen.
Ik deed een poging, maar daar was hij nu net niet van gediend.
“Aaaaah!” probeerde ik hem duidelijk te maken dat ik weleens minder vingers in mijn mond gehad had.
“Aahaaa!” riep ik terwijl de tranen mij over de wangetjes liepen.
“Niet zeuren nu! Het is zo gebeurd!” hoorde ik hem nog in de verte bot antwoorden,
en toen werd het donker. Flauwgevallen.
Tenminste dat werd mij een half uur later door het onmens verteld.
Hij had ondertussen wel alles in mijn gebit gerepareerd, maar dat had hij niet hoeven te vertellen
want mijn mond voelde aan alsof er een tegel van vier hoog op was gevallen.
Alleen voor de zenuwvulling moest ik nogmaals langskomen.
Dat heb ik dus, noodgedwongen, ook gedaan, toen ik elf jaartjes oud was.
Onmiddellijk na dát bezoek heb ik mijn ouders gevraagd om
mij bij een andere tandarts onder te brengen, en kwam er zodoende
achter dat het ook anders kan,
en het helemaal niet nodig is om te emigreren.