STRAAT

Zo wat wandelend door het dorp belandde ik na ongeveer een uur in de straat waar ik tot mijn zeventiende gewoond heb. Er was veel veranderd. De enkele bomen, de struiken en het grasveldje dat recht voor ons huis gelegen was, waren verdwenen. De voortuinen, in vroegere dagen met zoveel zorg onderhouden, hadden plaats moeten maken voor een blijkbaar beter model tuin; een betonnen plantenbak waar net twee afrikaantjes in pasten, vlak onder de ramen. De gemeenteambtenaar, die over dit soort straatrenovaties ging, zal wel gedacht hebben: Wat moet een mens met zoveel bloemen voor de deur, dat kan wel wat minder fleurig.
Er ging een deur open. Twee jochies van een jaar of acht stapten de straat op. De een had een bal bij zich. Ze liepen naar het parkeerterrein dat het grasveld had verdrongen, en maakten twee doelen van straatklinkers.
"Ik ben Inter Milan." riep de grootste van de twee.
"
Dan ben ik Barcelona." riep de ander, in het minst niet geintimideerd door de Italiaanse keuze van zijn kameraadje.
Ik glimlachte en moest me bedwingen hen te vragen of ik mee mocht doen. Nog één keer voetballen op de plek waar ik vroeger, samen met Koop, altijd met een bal te vinden was, om het gevoel van toen nog eens mee te maken, maar ik deed het niet; het zou niet hetzelfde zijn.
Ik draaide mij om, en keek naar het oude huis.
De hoeveelheid herinneringen die mij hierna als een stortvloed te binnen schoten, was eindeloos.
Het touwtje door de brievenbus, dat kon toen nog, het molentje in de tuin.
Het houten beeldje van een visser op de vensterbank tussen de vitrages.
Flarden van sinterklaasavonden, verjaardagsfeestjes, visites. 
Er verscheen iemand voor de ramen. Ik kon haar niet, maar knikte haar toch toe.
Ze keek mij aan, haalde haar wenkbrauwen op, en deed de luxaflex naar beneden. Onpersoonlijk. Kil.       Waarschijnlijk zou ik niemand van de huidige bewoners van de straat meer kennen, maar dat viel moeilijk te controleren, want iedereen bleef binnen. Ook dat was veranderd.
In mijn jeugd stonden buurvrouwen op de stoep elkaar de laatste nieuwtjes te vertellen, onderwijl de spelende kinderen zo nu en dan tot de orde roepend. Iedereen kon iedereen, er was gezelligheid.
Ik keek nogmaals naar de twee jochies. Barcelona was iets beter leek het mij. Er volgde een duel, plotseling werd de bal de lucht ingeschoten, en stuiterde over de weg, om vervolgens in een bloemenbak te belanden. "Pak jij hem maar!" riep de grootste.
In mijn tijd woonde er achter die bloemenbak een man, Oude Tek genoemd, die je tierend en scheldend achterna kwam als de bal bij hem de tuin inrolde. De kleinste van de twee sjokte naar de bloemenbak.
Ineens ging de deur open, en een oude man met een pet op zijn hoofd kwam naar buiten, en ik kon mijn ogen niet geloven, want daar stond Oude Tek! Maar nu nog ouder.
Dit was onmogelijk!
Hij leefde nog, en moest nu honderdvijfendertig zijn.
Rennen, jochie!
Het kereltje bleef staan en tot mijn stomme verbazing gaf Oude Tek het kind de bal terug, en daarbij wat snoep.
Wat was dit nou?!
Toen hij mij zag staan kijken, meende ik even dat er een glimlach op zijn gelaat tevoorschijn kwam.
Terwijl Barcelona tegen Inter Milan even later werd hervat, knikten wij elkaar toe.
Deze straat was echt veranderd, realiseerde ik mij.
Zelfs twee oude vijanden toonden tegenwoordig respect voor elkaar.