spijt

Mijnheer Faassen is overleden.
Terwijl ik bij zijn graf sta, en de rouwende familieleden de tranen laten lopen,
bedenk ik dat ik we de laatste jaren goed konden opschieten.
Hij was voorzitter van mijn voetbalclub, en in die hoedanigheid kwamen we elkaar vaak tegen.
Ik leerde hem kennen als een prima kerel.
Mijn gedachten over hem waren wel eens anders geweest.
Zo kon ik vijfendertig jaar terug zijn aanblik beslist niet op mijn netvlies verdragen.
In die dagen was hij namelijk mijn leraar en gaf hij muziekles.
Echter op een dergelijke saaie manier dat je wel gekke fratsen moest uithalen
om geestelijk niet in de knoop te geraken, en na de les spontaan een dwangbuis op te zoeken.
De heer Faassen was namelijk idolaat van koren.
Hij had thuis van alles: Volendamse koren, Weense koren,
koren uit de Oekraine en vast en zeker volkoren.
Zodoende bestonden zijn muzieklessen dan ook louter uit zang.
Geen instrumentenleer, muziektheorie.
Niets daarvan, je leerde teksten van liedjes, die je met de hele klas tegelijkertijd ten gehore moest brengen.
Na zo'n twee of drie lessen alleen maar: "Hoog op de gele wagen." gezongen te hebben,
werd ik daar eens op een bepaalde dag zo onpasselijk van, dat ik een natuurlijke gedrevenheid in
me op voelde komen om me er tegen te verzetten.
Hetgeen ik deed door het vervolg van de tekst, met een gezicht als een engel, zo vals ik kon het lokaal in te storten.
"Ho, ho, ho, er zit er hier iemand verschrikkelijk te lallen. Bijzonder vals ook. Concentratie alstublieft.
Nog eens vanaf het begin."
Natuurlijk zong ik daarna weer als een kraai, en na een poosje werd er weer gestopt.
"
Ik weet niet wie hier geen toon kan houden, maar doe je best. Wil het niet lukken, zing dan gewoon niet, en bederf het niet voor de anderen."
Het kon mij toen weinig schelen wat hij zei. Zelfs nadat hij, na voor de derde maal de klas de mond gesnoerd te hebben, dreigde degene die zo opzettelijk de les verstoorde een buitenlandstalig woordenboek over te laten pennen, ging ik gewoon door.
Ik wist dat niemand mij verraadden zou, want iedereen dacht er net als mij over.
Daarnaast zou hij nooit precies kunnen zeggen wie er zo vals zong.
Frustrerend.
Uiteindelijk liep de arme man wanhopig, en hoofdschuddend de klas uit.
De rest van dat jaar liet hij zich, nog een tweetal keren tot zulk gedrag verleiden.
We hadden er lol in gekregen.
Later, toen ik ouder was en hem inmiddels als goedhartig, warm mens had leren kennen, heeft het mij nog regelmatig gespeten.
Ik heb het hem echter nooit kunnen vertellen.
Naast het graf begonnen mijnheer Faassen zijn laatste leerlingen opeens, op teken van waarschijnlijk een andere leraar, als uit een soort eerbetoon zachtjes te zingen.
Jawel, "Hoog op de gele wagen."
Na al die jaren blijkbaar nog steeds onderdeel van mijnheer Faassen zijn lesmateriaal.
Ik zong zachtjes mee.
Nu zo zuiver als ik kon.