speelgoed

Hoewel Koop en ik nog nooit iets tekort waren gekomen, waren wij op ons
tiende meesters in het verkrijgen van speelgoed. Zo had Koop wel eens een flauwte, en als hij
dan een uur snikkend aan de keukentafel bleef zitten, was het pad naar de winkel snel gevonden.
Ikzelf sprong wel eens de lucht in, en op de weg terug zorgde ik er dan voor dat
 eerst mijn knie het asfalt raakte. Bloederige wonden kan ik u mededelen,
en hij gaat soms nog wel op slot, maar het werkte.
Dat een ieder echter krijgt wat hem toekomt, bleek twee maanden nadat wij deze gevoelige snaren
onzer ouders hadden ontdekt. Er kwam een familie in onze straat wonen met een zoontje van zeker elf: Frank. Omdat hij geen speelgoed had, speelde hij in het begin met dat van ons en dat ging leuk,
maar na een poos kreeg hij het idee:
ik wil dat speelgoed zelf hebben, ik ben toch sterker, ik neem het mee naar huis.
"
En als je zegt dat ik het heb krijg je op je donder. Zeg maar dat jullie het verloren zijn!"
Hij keek ons dreigend aan, draaide zich om en ging. En het hield niet op.
De keer daarop nam hij onze voetbal mee, weer een dag later waren onze knikkers aan de beurt.
Dat kon natuurlijk zo niet doorgaan, maar Koop en ik hadden weinig trek in een paar blauwe ogen.
Gelukkig zou hij maar een poosje bij ons in de straat wonen. Zijn ouders wachten op een huis in een
nabij gelegen dorp. We maakten een plan en een kar. Een grote kar met wielen van een kinderwagen. Na dit gedaan te hebben liepen we met de kar langs het huis van onze kwelgeest, zodat hij ons kon zien, en gingen daarna naar een viaduct, met een mooie helling om van af te rijden.
Koop nam plaats en wij wachten. Wij wachten op Frank.
"
He, wat doen jullie?" sprak hij toen hij ons gevonden had.
"
We gaan naar beneden." antwoordden wij.
"
Van wie is die kar?"
"
Van ons. Zelf gemaakt."
"
Ik wil eerst. Of had je daar wat op tegen?" klonk het, en hij gebaarde dat Koop eruit moest.
Hetgeen Koop met alle plezier deed, waarna Frank plaatsnam.
"
Geef me een duwtje." sprak hij.
Hetgeen wij beiden met alle plezier deden, en de kar kreeg vaart.
Behoorlijk vaart.
"
Waar zit de rem?" riep hij nog.
"
Die zit er niet op!" riepen wij zeer vrolijk terug.
Hij riep nog wat, wij konden het niet verstaan,
en terwijl hij nu als een raket naar beneden jakkerde, schudden Koop en ik elkaar de hand.
Frank begon nu steeds harder te schreeuwen.
Hoewel hij verdraaid aardig kon sturen voor een rotjochie van elf, terwijl hij beneden de weg over suisde
manoeuvreerde hij zich heel handig langs een Opel Escort en een SRV-wagen, bleek hij niet capabel genoeg het voertuig weer op vier wielen te krijgen, nadat deze tegen de stoeprand was geknald, en naar wij nu nog schatten, zo hoog de lucht invloog dat Frankie zo kon zien wie er in het centrum van het dorp liepen.
Mits hij daar oog voor gehad zou hebben, maar dat had hij niet.
Met een enorme smak klapte de kar op het trottoir uiteen, en we zagen het serpent met het stuur nog in zijn handen de vijver inschieten.
Iemand dook achter hem aan.
Het leek ons nu beter niet te wachten; moeder zou het eten wel op tafel hebben staan.
De volgende anderhalve maand speelden wij binnen.
Het was koud voor de maand Juli, en misschien ook wel een beetje
omdat Frank toen pas was verhuisd.