sinterklaas

De feestelijke intocht van Sinterklaas was weer een prachtig schouwspel. Van heinde en verre waren de kinderen met hun ouders gekomen, om zich er persoonlijk van te verzekeren dat de komst van de Goedheiligman ook dit jaar een beklonken zaak was, en de verlanglijstjes niet voor niets waren geschreven.
Vlak naast mij stond een kereltje dat nogal gespannen naar het water tuurde. Pas toen de sluisdeuren werden geopend, en hij met eigen ogen zag dat de boot met daarop de kindervriend het dorp binnenvoer, haalde hij opgelucht adem. Hij leek er nu pas van overtuigd te zijn dat de tijd waarin een cadeau zomaar uit de lucht kan komen vallen, opnieuw was aangebroken.
Ik vind dat mooi om te zien, zo’n kleintje dat nog helemaal in de ban is van de Sint, de Pieten en het Sinterklaasfeest, en dat het geen enkele reden heeft om ook maar een seconde aan het bestaan van de Goedheiligman te twijfelen. In ons dorp wordt daar prima voor gezorgd.
Zo’n kind heeft namelijk eerst de intocht op televisie gezien, en zag daar een grote, grijsharige, statige man, met een rode, hoge mijter en tabberd, een staf en een lange, witte baard, die met een rustige, enigszins lage stem, een vriendelijk woord heeft voor een ieder onder de tien jaren oud.
Daarna is het kereltje met zijn ouders naar het centrum van ons dorp gelopen, en ziet nu dat qua gedrag en verschijning, dezelfde Sinterklaas als op televisie in Lemmer arriveert. Wij kunnen daarvoor complimenten uitdelen aan de organisatie, want zo hoort het te zijn.
Zou Sinterklaas bij aankomst in het dorp namelijk ook maar enigszins niet voldoen aan het beeld dat het kind van hem heeft, dan zou de twijfel opborrelen. Er zouden vragen ontstaan, en meer vragen. Wellicht zelfs het begin van ongeloof, waarna langzaam maar zeker de geloofwaardigheid zal worden aangetast en ontrafeld.
Wij komen hierbij nu echter bij een kwetsbaar punt: de goedbedoelde rol van de hulpsinterklaas. Ook deze dient goed voorbereid, en naar behoren te worden vervuld, want zodra een en ander ook maar enigszins neigt naar een nepverschijning die, nogmaals, met de beste bedoelingen wordt uitgevoerd, dan mogen wij er ook hier van uitgaan dat het wantrouwen bij zo’n kind zijn weg vindt.
Ik heb dit zelf meegemaakt. Ik was acht jaar, en werd bij Koop thuis uitgenodigd om op het einde van een zaterdagmiddag Sinterklaas te ontmoeten. Ik was er al om een uur of vier, kreeg limonade en een koek, en wachtte samen met mijn kameraadje in grote spanning op de het verschijnen van de Sint.
Rond zeven uur klonken er ineens een paar forse dreunen op de ramen, en werd er uitbundig op de deurbel gedrukt, waarna de vader van Koop onmiddellijk opstond om de voordeur openen. Koop en ik hoorden wat gemompel en gelach in de gang, waarna even later de deur naar de kamer werd geopend.
“Komt u maar binnen, Sinterklaas. Hier zijn de kinderen, en het is er lekker warm.”
Bloednerveus op wat ons stond te wachten tuurden Koop en ik naar de geopende deur, en daar stapte de Sint binnen. Of tenminste wat daarvoor door moest gaan.
Hetgeen de woonkamer binnenstapte was een tenger figuur, hooguit twee koppen groter dan Koop en mijzelf. Hij had iets op het hoofd dat meer de vorm had van een kleine rode theemuts dan een mijter, en de tabberd kon ieder gewenst moment voor een badlaken doorgaan.
En of dit niet genoeg was, Koop en ik konden duidelijk zien dat de baard aan de rechterkant een aardige brandplek had opgelopen. Aangezien deze brandplek op televisie duidelijk niet aanwezig was geweest, keken mijn kameraad en ik elkaar verbaasd aan. Het zou natuurlijk kunnen dat de Goedheiligman een dutje tegen een kolenkachel had gedaan, maar het effect van kolenkachels kennende, leek ons dat niet bepaald waarschijnlijk.
“Hallo, kindertjes. Zijn jullie lief geweest?” deed de grappenmaker een poging ons gerust te stellen. Hetgeen volledig mislukte, want Sinterklaas heeft een zware stem, zo wisten wij. Deze Sint klonk alsof hij zo met de BeeGees mee kon zingen. Er klopte hier iets niet.
Heel voorzichtig kregen wij dan ook het idee dat we in de maling werden genomen. Een moment later werd de start gegeven voor de bevestiging van deze gedachte. Deze Sint scheen namelijk bij Jakko, de hond van Koop zijn ouders, het natuurlijke instinct voor onraad te hebben aangewakkerd, en Jakko uitte dit door eerst naar de Goedheiligman te grommen, daarna te blaffen, en uiteindelijk door zijn volgroeide gebit aan de Sint te laten zien.
“Jakko! Af!” sommeerde Koop zijn vader, maar Jakko luisterde niet.
“Ach, lief hondje. Wat is er toch? Kom eens hier.” deed Sint een poging. Nu luisterde Jakko wel. Hij deed ook wat hem gevraagd werd, maar terwijl de Sint zijn hand uitstak om hem over zijn bol te aaien, hapte Jakko toe. Er voltrok zich nu een kleine schermutseling voor onze oogjes, waarbij het gebit van Jakko zich redelijk liet gelden, en menig angstkreet de kamer werd in geslingerd, kan ik u mededelen. Bijna had Koop zijn vader Jakko kunnen grijpen, ware het niet dat Sinterklaas op een bepaald moment in blinde paniek de voordeur probeerde te bereiken, en Jakko woedend de achtervolging inzette.
Wij volgden hen op de voet, en buiten zagen we nog net de Goedheiligman onder het slaken van menige kreet, de steeg aan de rechterzijde van het huis in rennen, met Jakko in zijn kielzog.
Koop en ik bleven voor het huis staan wachten. Het werd stil. Zo nu en dan hoorde je wat vaag geblaf en gebrul in de verte, waarna het een dertig seconden zelfs helemaal stil werd. Plotseling, als uit het niets, hoorden wij ineens vanuit de steeg, ditmaal aan de linkerzijde van huis, het geluid van geblaf en gejammer weer op ons af komen, en even later verschenen ze inderdaad.
Een duidelijk gehavende Sinterklaas, hij was zijn mijter kwijt en droeg nog slechts een halve tabberd, kwam de straat opgerend, en terwijl hij pogingen deed om Jakko met de staf van zich af te houden, sprintte hij op volle snelheid naar de parkeerplaats verderop. Hier stond echter geen schimmel met de naam Amerigo, maar een wit busje met Bouwbedrijf Minnertsga op de zijkant, waarin de Goedheiligman na twee pogingen kon plaatsnemen. Even later startte hij de auto, om vervolgens met behoorlijke snelheid de straat uit te rijden.
Twijfel hadden Koop en ik vanaf dat moment niet meer. Nee hoor. We wisten nu wel zeker dat we in de maling werden genomen. Vanaf die avond letten we goed op, en kwamen er langzaam maar zeker achter welk bedrog zich al die jaren voor onze oogjes had afgespeeld. Al hebben we, omwille van de cadeaus, daar de eerste drie jaren maar over gezwegen. Grote mensen hoeven ook niet alles te weten, zo vonden wij.