Rockster

 Aangezien de muziek van Paul McCartney mij altijd al heeft aangesproken, en ik nu toch in London was, besloot ik eens af te reizen naar zijn onderkomen in de wijk St. John’s Wood. Het adres had ik gevonden in een biografie die over hem geschreven was, en ik had de kaart van London al uitgeplozen om te zien waar ik moest zijn. Omdat ook mijn geheugen wel eens hapert, werd het al een beetje schemerig toen ik de straat inliep wier naam geschreven staat op elke kaart, brief en belastingaanslag die de heer McCartney ontvangen mag: Cavendish Avenue.
Een rustige, boomrijke straat met goed onderhouden optrekjes, voor enkele wat beter bij kas zittende mede aardbewoners. Halverwege herkende ik het optrekje van mijn held. Een vierkante blokkendoos met veel ramen, op het raampje naast de voordeur na allen geblindeerd, en een houten voordeur die je via een stenen trap bereiken kon. Een geel stenen muurtje van zo’n twee meter hoog en een groene toegangspoort van massief staal, scheidden de geheel betegelde voortuin van de straat. Als ik mezelf een beetje optrok aan het muurtje kon ik er zo overheen kijken. Het viel mij tegen, deze veiligheidsmaatregelen, hoewel ik wel een camera boven de voordeur zag hangen.
Zo hing en gaapte ik daar een tijdje aan het muurtje. Starend naar de heilige grond voor mij, en hoopte dat zo’n geblindeerd raam voor even ongeblindeerd werd en ik een glimp van iets of iemand opvangen kon, maar dat bleek valse hoop te zijn. Waarschijnlijk was meneer elders bezig met zijn carrière. Nu blijf je ook niet een paar uur aan zo’n muurtje hangen natuurlijk; voor je het weet heb je een proces-verbaal of kramp en dat heb ik zelfs voor McCartney niet over, dus ik liet mij weer op het trottoir zakken, schoot mijn fotorolletje vol, en begon aan de terugweg naar het hotel.
Ik had echter amper twee stappen gedaan, toen er een olijfgroene Mercedes aangereden kwam en afremde voor de toegangspoort. En ineens voelde ik mijn tenen yoga-achtige standen aannemen en begon mijn lichaam wat te schokken, want achter het stuur zat daar zat mijn idool..! Ik weet mij nog te herinneren, dat ik dacht: Dit kan niet, zoveel toeval bestaat niet. Terwijl ik voor een moment aan de grond stond genageld en mijn ademen die tijd benutte voor een kleine pauze, stak McCartney zijn hand nonchalant op ter begroeting, wachtte tot de toegangspoort elektronisch zover geopend was dat hij er met zijn auto doorheen kon, en parkeerde vlak voor de stenen trap die naar de voordeur leidde. De poort sloot zich weer.
Hangen, dacht ik. En het zou stom zijn het te denken en het niet te doen, dus deed ik het. Terwijl ik aan het muurtje hing riep ik hem:
“Paul!”
“Paul! Kan ik je even spreken?!” riep ik in het Engels terwijl mijn schoenen de voegen tussen de stenen wegschraapten en hij uitstapte.
“Ik heb haast!” riep hij terug en schoot als een speer naar binnen.
“Waarom zo’n haast?” riep ik terug, want je kan toch zeker wel even een praatje maken met degene die je eethoek betaald heeft, maar de voordeur was al dichtgeslagen. Jammer.
Ik kreeg, indirect overigens, nog wel antwoord op mijn vraag want het kleine raampje naast de voordeur lichtte op en ik zag een bekend merk luchtverfrisser staan.
“Had dat raampje nu toch ook even laten blinderen.” mompelde ik voor mij uit terwijl ik op het punt stond het Engelse record muurtjehangen te verbeteren.
Dan was er voor mij, ten opzichte van hem, namelijk niets veranderd.Nu ontwaakte ik nogal ruw uit mijn  enigszins, toegegeven, naïeve droom, toen mij ineens, door een druk op een lichtschakelaar, duidelijk werd dat een rockster ook maar een mens is.