Prietpraat

Het zou de wereld een stuk minder gezellig en zeker onvriendelijker maken, maar als ik geïrriteerd of gewoonweg kwaad ben, verlang ik soms naar een onpersoonlijke maatschappij. Een samenleving waarin, weliswaar welgemeende maar in principe overbodige vragen met voor de hand liggende antwoorden, niet worden gesteld. Als ik door wat voor reden ook in een nijdig humeur ben, doen dergelijke vragen mijn irritatie vergroten, waardoor ik van nature word gedwongen de vragensteller een antwoord te geven die hem de onnozelheid van de vraag hopelijk doen beseffen. Ik zal het u uitleggen, en wel om twee redenen. Ten eerste: u weet dan precies wat ik bedoel, ten tweede: anders zou dit wel een heel kort verhaaltje zijn geweest. Zo besloot ik, ten gevolge van een korte verstandsverbijstering, ooit eens naar Gaasterland te fietsen. Gelukkig besloot ik ook weer terug te fietsen, en terwijl ik hiermee bezig was begon ik mij te ergeren; ik mocht genieten van korte, doch hevige hoosbuien, waarvan de druppels zich gretig kapotsloegen op mijn jukbeenderen, terwijl een noordenwind mij zeer duidelijk begon te maken dat ik hem tegen had. De woede volgde nadat mijn achterband zo´n drie kilometer voor het dorp ook nog eens lek ging. Met de fiets aan de hand vervolgde ik mijn weg om een half uur later als een natte dweil het dorp te bereiken, waar ik mijn vroegere buurman tegenkwam. En wat zei mijn vroegere buurman met een lach op zijn gelaat, toen hij mij zag met de fiets in mijn hand? Ja, ja, let u op:
"Wat nu? Een lekke band?" 
"Nee, hij heeft kramp in het zadel." antwoordde ik onmiddellijk door mijn pesthumeur, waardoor de goed bedoelde glimlach op zijn gezicht verdween, en ik aannam dat hij begreep dat een dergelijke onzinnige vraag mij in die toestand niet weer gesteld hoeft te worden. Toch zijn er figuren die buurman overtreffen. Personen die bij de aanblik van een situatie onmiddellijk weten hoe de vork in de steel zit, maar dat toch nog even bevestigd willen zien, en dat doen door het stellen van vragen waarvan ze de antwoorden in principe al weten. Zo stuiterde ik op een middag, bij het ingaan van een bocht, eens zeer onorthodox tegen de grond, en bleef met aardige inkepingen halverwege mijn knieën liggen. Even later stond er een jongeman over me gebogen.   
"Ben je gevallen?"
"Nee, ik lig hier zaterdagmiddags wel vaker."
"Wat?" We zwegen beiden.
"Doet het pijn?" tergde hij mij nogmaals. "Nee hoor, zeer verfrissend; je schenen aan gruzelementen. Zou je ook eens moeten doen." kreunde ik. Ja, wat zijn dat toch voor vragen? En hij ging door. Hij ging door tot op het laatst mijn woede de pijn verdreef, en ik mij bloedend als een rund, de fiets in de vorm van een zwanehals met mij meesleurend, strompelend naar huis begaf. Als u mij ooit ergens ziet liggen, met verwondingen waaraan u kunt zien dat ik ze niet bij het scheren heb opgelopen, en u bent zo vriendelijk naar mij toe te gaan om de helpende hand te bieden, doet u mij een lol, begin niet met die prietpraat.
Laat u mij, alstublieft, dan maar liggen.