Paintball

Om het vrijgezellenweekend van Frank wat op te fleuren, zonder twee volledige dagen in een kroeg te spenderen, besloot het feestcomite om de eerste middag te gaan paintballen, en de tweede middag de tijd op de rug van een paard door te brengen. Alles diende op de Veluwe tot uitvoering gebracht te worden, en Koop ging ook mee. Niet alleen is hij ook een goede vriend van Frank, maar tevens waren wij immers iemand nodig die als chauffeur van het busje, waarmee wij ons naar de Veluwe wilden verplaatsen, zou moeten fungeren. Zo rond de klok van twaalf arriveerden wij op de bewuste datum bij een grote blokhut gelegen aan de rand van een, naar het scheen, nogal groot bos en de stemming was opperbest. Frank was die ochtend nietsvermoedend naar zijn werk gegaan, en had beslist niet verwacht dat wij hem die dag zouden gaan verrassen. Doodgemoedereerd had hij achter de balie gestaan toen wij het postkantoor binnenstormden. Al had de in scene gezette overval, inclusief bivakmutsen en nepmitrailleurs, nu niet direct voor hem gehoeven. Een mening die het eerst hevig krijsende vrouwtje waarschijnlijk gedeeld zal hebben, maar omdat ze bij ons vertrek naar de Veluwe nog in een flauwte lag, heb ik dat niet kunnen navragen. Het mocht de pret niet drukken.
We werden opgedeeld in vier groepen van twee, en iedere groep kreeg een eigen kleur overall. Ter camouflage had de eerste groep bruine overalls, de tweede groene, de derde donkerblauwe en de vierde… Ja, de vierde groep. Bert en Willem, zat het niet mee. Vlak voor ons waren anderen aan het paintballen geweest, en hierbij waren de zwarte overalls dermate beschadigd geraakt dat deze eerst gerepareerd dienden te worden. Als noodoplossing werden Bert en Willem in twee gele overalls gestoken, die iemand van de organisatie vlak voor onze aankomst nog had weten te bemachtigen bij een plaatselijk schildersbedrijf. Bert en Willem waren hier niet erg content mee. Logisch, van enige camouflage was nu geen sprake meer, ze zouden net zo goed kunnen proberen om een tegenstander te besluipen met een drumband om hen heen.
“Het is de bedoeling straks dat de groepen in verschillende richtingen het bos ingaan, daarna tien minuten wachten, en vervolgens naar hier terugkeren. Diegene die driemaal geraakt wordt, is dood, en mag niet meer meedoen. De groep die als laatste overblijft is winnaar. Heren, veel plezier!” sprak een majoor.
Wij allen hadden een pistool, en een paar buisjes met verfpatronen, die nog het meest op knikkers leken, en voor kogels moesten doorgaan. Terwijl de anderen in het bos verdwenen, spurtten ook Koop en ik weg. We renden en renden, tot we uiteindelijk bekaf waren en stopten. We pauzeerden de afgesproken tien minuten, en wilden teruggaan. Ware het niet, dat wij vergeten waren waarlangs dat moest.
“Volgens mij moet het die kant op zijn.” sprak ons plaatselijk kompas, en een uur later leek zijn mening juist.
Veertig meter voor ons, aan de rand van het bos, zaten twee personen met blauwe overalls op een omgevallen boom. Turend over de weilanden voor zich. Ik gebaarde Koop dat ik zou proberen hen van de zijkant te benaderen, als dat namelijk lukte konden ze bijna niet meer ontsnappen.
Als een Winnetou sloop ik dichterbij en een paar minuten later bevond ik mij op een tien meter afstand. Koop zal aan de andere zijde niet veel verder van hen hebben afgelegen. Ik richtte mijn pistool, en schold zachtjes. Nu pas zag ik dat hier geen vrienden van ons zaten, maar een boer, en waarschijnlijk, zijn vrouw. Een kans om Koop te vertellen dat we toch fout zaten kreeg ik niet; meneer Schietgraag had zijn kans geroken en al geschoten.
Nu was het een prima schot, dat mag gezegd. De boer kreeg de verfknikker recht en snoeihard in zijn nek, de verf spatte over zijn donkere haren, en hij slaakte een kreet die mensen wetenschappelijk beschouwd eigenlijk niet kunnen produceren. Zijn vrouw schrok echter dusdanig van hem dat het haar ook lukte. De boer sprong op en draaide zich tierend en scheldend om. Ik liet mij weer bijzonder haastig, maar geruisloos, tussen het kreupelhout zakken, en dankte Onze Lieve Heer dat ik de overall van Bert of Willem niet aan had, want terwijl de boer was gaan staan had ik een heel aardig bewerkt stuk hout, met twee ronde buisjes, naast hem opgemerkt. Ook wel bekend als: het jachtgeweer.
Ik begreep de situatie ineens volkomen: de boer had in zijn nek gevoeld en zijn handen, zo zal hij gedacht hebben, zaten onder het bloed. Wat wist hij van rode verfpatronen? Ik ben getroffen, dacht de arme ziel waarschijnlijk. Terwijl hij het jachtgeweer richtte, zal hij tevens verondersteld hebben dat hij zich met zijn laatste krachten nog zou kunnen verdedigen. En dat het nog legaal was ook.
Koop kreeg het nu ook door. Hij was rustig gaan staan, en had wat willen roepen. Tot hij zag dat de man zijn geweer greep. Voor even besloot Koop zich een stukje de sokken uit de schoenen te rennen, bedacht zich een moment, wilde nogmaals richtten, maar concludeerde dat het beter zou zijn halsbrekend achter de bomen te verdwijnen. En hij probeerde dat ook. Hetgeen de boer niets kon schelen, en gewoon een schot loste.
Nu hoorde ik Koop op zijn beurt een leuke imitatie van een bronstige specht geven, waarna de boer met zijn vrouw, onmiddellijk en bukkend het weiland invlogen en uit het zicht verdwenen. Ik voegde mij snel bij Koop, die springend en kermend over zijn achterste stond te wrijven.
Dat paardrijden werd niets meer, zo werden wij het eens.
Terug