Oppassen

Vrienden hadden een etentje met collega’s bij een restaurant in Lemmer, maar hadden een klein probleem:
ze konden geen oppas vinden, omdat het griepvirus zich nogal had verspreid onder hun familieleden. Ten einde raad werd mij op het allerlaatste moment gevraagd of ik dan misschien op de kleine wilde passen. Ze hadden de verwachting rond twaalf uur weer terug te zijn. Ik stemde onnozel toe.
Wat is er moeilijk aan het geven van een fles met voeding of het verschonen van een luier met het uitstekende bewijs dat er met mijn neus en de stoelgang van het jochie, niets mis is.
“Als hij begint te huilen, en hij heeft de fles gehad, kun je het beste maar een liedje zingen.
Dan valt hij meestal wel in slaap. Ok? Nou, doei!” werd mij verteld, waarna het jochie nog een kus kreeg, en de voordeur werd dichtgetrokken.
Even later deed ik het kereltje voorzichtig in zijn wieg, waarna ik zag dat zijn oogjes nog even tegen de slaap vochten, maar hierin nog zo weinig waren bedreven dat de strijd al spoedig moest worden opgegeven, en hij in slaap viel. Het uur hieropvolgend, kwam ik tot de voorbarige conclusie dat ik de situatie geheel meester was, en dat het een rustige avond zou worden. Na dit uur begon hij echter zachtjes te huilen. Ik gaf hem zijn flesje. Ik verschoonde zijn luier. Het hielp weinig.
Dan maar een liedje, dacht ik. Zodoende begon ik even later, nogal theatraal, naast zijn wieg aan de eerste regels van “Bij de Muur van het oude Kerkhof”, in de volledige overtuiging dat hij dan zo wel zou stoppen. Pas toen hij na dit, overigens schitterend gezongen, lied nog steeds zijn inmiddels hartverscheurende kreten ten gehore bracht, begonnen de zenuwen mij een weinig op te spelen.
Ik begon aan “The Rivers of Babylon”. Ik zag hem twijfelen, en toen ik erbij begon te dansen stopte hij zelfs voor een moment, maar direct na de laatste zin van dit lied, zette hij wederom de huig wagenwijd open, en begon opnieuw te krijsen, nu zelfs luider dan eerst.
Ten einde raad, begon ik aan het koprollen, want het scheen dat afleiding hem van het krijsen afhield. Na het op mijn handen lopen en de flikflakken raakte ik pas echt in paniek: ik wist geen kunstjes meer, en de liedjes die ik kende raakten op.
Gelukkig
zag ik de buurvrouw thuiskomen. Ik rende naar buiten, en legde haar de situatie uit. Even later stonden wij gezamenlijk naast de wieg, waaruit nog steeds dusdanig erbarmelijke kreten kwamen dat wij spontaan aan de Polka begonnen, maar ook ditmaal zonder succes.
“Wacht, ik haal mijn man! Die kan hele gekke dingen!” riep de buurvrouw en snelde naar huis. Haar man kon inderdaad gekke dingen, maar had een dusdanig triest gezicht dat het mij bijna aan het huilen bracht, zodat ik hem na een poosje bij de wieg weghield. Andere buren werden opgetrommeld. Eenieder had zijn eigen trukendoos om een huilend kind stil te krijgen, maar bij dit kind bleken alle pogingen vruchteloos.
Uiteindelijk stonden wij met ons tienen rond de wieg, en wilden net beginnen aan de Can Can, op de tekst van “Moeder ik kan je niet missen”, toen de kamerdeur openging, en de vrienden terugkwamen van hun bezoek aan het restaurant. Geschrokken vroegen ze wat er gebeurd was. We stelden hen gerust, en deden de situatie uit de doeken.“Nou, ik begrijp het niet. Dat doet hij anders nooit, hoorde ik, toen ik mij,  met het zweet op de rug, naar buiten begaf.
Nee, natuurlijk niet.