nieuws

Aan de tap van het etablissement zat ik naast twee oudere heren die druk bezig waren met
een gesprek over het nut van de elektrische fiets, onderwijl nippend aan de borrel die ze voor
zich hadden staan. De deur ging open, en een man waarvan ik wist dat hij de merkwaardige
bijnaam De Kolenkit droeg, kwam nu ook binnen en schoof met een zucht aan.
"
Een borreltje, Fred." sprak hij luid tegen de kastelein.
Even later omsloot zijn reusachtige hand het kelkje, waarna hij het in een teug leegdronk.
"
Doe er nog maar een."
"
Dorst?", vroeg een van de heren.
De Kolenkit schudde zijn hoofd.
"
Ik kwam mijn zwager net tegen. En wat denk je dat die me vertelt?" De beide mannen aan de toog
schudden nu op hun beurt het hoofd. De Kolenkit keek hen aan, wachtte een moment en sprak toen
zachtjes met trillende stem:
"Klaas is dood."
De ogen van de beide mannen werden groter, de monden gingen een stukje open.
Terwijl de Kolenkit zijn kelk opnieuw leegde, werd het een moment stil aan de toog.
"
Nog eentje, dan." sprak hij wederom tegen de kastelein, waarna hij de mannen verder
begon uit te leggen wat er was gebeurd.
"
Gisteravond, is hij op visite geweest bij zijn dochter, en op de weg terug is hij
aangereden door een bestelwagen."
"
Krijg nou niks." mompelde de man naast me.
Ook de beide mannen bestelden nu nog een borrel.
Het viel mij niet moeilijk om te zien dat dit nieuws hen koud op het dak viel,
en dat ze niet precies wisten wat ze hier nu op moesten zeggen.
Het werd even stil, en het leek alsof een ieder voor een moment
bezig was met zijn eigen gedachten.
Nadat de mannen enigszins van de schok bekomen waren,
vielen de Kolenkit echter vele vragen ten deel,
en het leek mij dat er na ieder antwoord sneller werd besteld.
Binnen een half uur werden de zaken dan ook zeer gevoelig.
De Kolenkit droeg op een bepaald moment, met gebroken stem, een ode aan Klaas op,
terwijl de anderen met verhalen kwamen die ze met hem beleefd hadden,
en er emotioneel een proost werd uitgebracht op de goede man.
Toen men, met tranen in de ogen, gezamenlijk begon aan het lied:
“Tot ziens, ouwe makker!”,
besloot ik weg te gaan.
Het verdriet van deze mannen, ruwe bolsters blanke pit en gouden hart,
begon nu ook mij op de keel te slaan.
Zelfs op weg naar huis moest ik nog weleens slikken, totdat ik een hoek omsloeg
en bijna tegen iemand opliep:
Klaas.
Heel even stond ik aan de grond genageld, en begon toen te lachen.
Blijkbaar, en gelukkig maar, had de zwager van de Kolenkit het niet helemaal bij het rechte eind gehad.
"
Klaas! Klaas, hoe is het?!" riep ik verbaasd.
"
Best genoeg." antwoordde Klaas, keek mij aan met een zorgelijk gezicht, en liep door.
Zonder twijfel op weg naar het café dat ik zojuist had verlaten.
Daar zou hij nog weleens opkijken, nam ik aan.
En hij niet alleen.