kattekwaad

Ieder kind mag graag kattekwaad uithalen, en Koop en ik waren beiden geen uitzondering op die regel.
Zo mochten wij op vroege winteravonden, in het schemerdonker, bijzonder graag de deurbel van
meneer de Jong testen. Alleen omdat de reactie van de man immer zowel spectaculair als een beetje
eng genoemd kon worden. Helaas pleegden wij deze ludieke acties iets te vaak, zodat een en ander
voorspelbaar werd, en wij noodgedwongen moesten stoppen door een redelijke blessure
aan de onderrug van Koop.
Ook werden wij zeer getrokken door de spanning die wij verkregen bij het ontsteken van een vuur, en er is daardoor wat afgebrand. Alsof het een verslaving was. En zoals u weet, kom je alleen van verslavingen af als het iets teveel van het goede wordt. Zo ook wij.
Het begon nadat Koop het stro, en kranten, iets te eentonig begon te vinden. Vandaar dat hij eens bij zijn vader in het schuurtje rondgeneusd had, en een jerrycan of twee met dieselolie had opgedoken.
"
Dieselolie! Wat is dat?" vroeg ik.
"
Dieselolie. Ja, ik weet ook niet precies wat het is, maar volgens buurman Henk moet je ermee uitkijken,
want het spul brand als een lier. Ideaal."
"
Ideaal?! De lucht in met z'n tweetjes zal je bedoelen."
Voor twee dagen bleef ik verstandig en halsstarrig weigeren. De verhalen die Koop mij echter
ter ore deed komen waren zo veelbelovend dat ik uiteindelijk toch besloot mee te gaan.
We kozen een mooi, droog stuk grond uit, besprenkelden geheel volgens de aanwijzingen van
Koop wat hooi met dieselolie, en staken het aan.
Ondanks dat we een eind van het dorp verwijderd waren, ontrokken wij ons toch maar aan het zicht
door tegen een piepklein gemaaltje te gaan zitten. En het hooi brandde, en brandde. Zo mooi.
Zo mooi dat we besloten wat meer hooi te verbranden, en nog meer, en nog veel meer.
Terwijl wij na afloop over de lap verkoolde aarde liepen en de terugweg aanvingen, waren wij het er
beiden over eens dat we beslist meer dieselolie moesten zien te bemachtigen.
De volgende ochtend echter gingen we beiden akkoord met het standpunt
dat we dit vooral moesten laten. 
Ik was amper wakker toen Koop mijn kamer in kwam stormen.
"
Kijk eens uit het raam." sprak hij trillend.
"
Ik zie niks." sprak ik verbaasd.
"
Kijk eens richting het gemaaltje."
Hetgeen mogelijk was door enigszins uit het slaapkamerraam te gaan hangen, en ik probeerde het.
Nadat het mij gelukt was, schrok ik zo dat ik bijna op de stoeptegels beneden lag.
Een grote zwarte rookpluim hing boven het gemaaltje. Witgrijze rookwolken vlak boven de grond.
Ik meende twee brandweerauto's op te merken, een politiewagen, en zeker twintig toeschouwers.
Ons vuur moest doorgesmeuld zijn in de droge grond!
"
Wat nu?!" vroeg Koop met een allesbehalve gelukkige uitdrukking op zijn gezicht.
"Bidden!" riep ik van onder de dekens, hetgeen wij met volle overgave deden.
De eerste vijftig dagen zelfs zo vaak, en tevens dusdanig gedreven,
dat ik met een gerust hart durf te beweren dat wij bidden
onze volgende verslaving mochten noemen.