kamperen

Het was zomer. Ik was net een week in het bezit van mijn rijbewijs dat ik bij een
tweede poging had weten te bemachtigen. En het was terecht geweest dat ik de eerste keer gezakt was;
het had meer op een achtervolging uit een James Bondfilm geleken
dan op een rijexamen.
Zo ziet u het nadeel van overmoed, het stiekum oefenen met de auto van je vader
 en teveel kijken naar tv-series als de Dukes of Hazzard.
De examinator, zo werd mij door mijn rijinstructrice pas na jaren op een feestavond verteld,
dreef maanden later zijn nagels nog in het dashboard bij het naderen van een rotonde.
Maar goed, nu had ik het dan toch. En ik had gespaard.
Een tweedehandsauto was snel aangeschaft, de vakantie stond voor de deur
 en geld op zak. Het leven lachtte mij toe.
Nadat
de vakantie echt was aangebroken konden Koop en ik eindelijk
ons plan ten uitvoer brengen. Met de pas gekochte auto en een tent die we hadden opgeknapt,
noodzakelijk omdat motten er ogenschijnlijk ooit een
achtgangen menu in hadden gezien, wilden wij Europa door.
Overnachten in de wilde natuur of bij dorpjes waar het leven primitief is,
gitaarspelend en zingend rond het kampvuur terwijl de wijn zo nu en dan van
hand tot hand gaat, maar het meest nog langs de huig.
De zaterdag dat wij vertrokken controleerden we nog eenmaal of we niets waren vergeten,
en gingen op weg.
"
Waar wil je eerst naar toe?" vroeg ik Koop.
"Het maakt mij niet uit. Zeg jij het maar." antwoordde hij,
terwijl de Zangeres zonder Naam, of hoe ze ook mag heten, door de luidsprekers klonk.
"
Pak de atlas. We gaan prikken."
Als een anaconda kroop Koop naar de achterbank, dook tussen de aanmaakblokjes,
hengels, gitaren en koelboxen, en wist uiteindelijk, met de atlas in zijn hand,
op dezelfde wijze ook weer naast mij plaats te nemen.
"
Prik maar." zei ik, nadat hij met een bezweet voorhoofd
de kaart van Europa voor zich had gebladerd.
"
En?" vroeg ik nieuwsgierig.
"
Poligny! Vlakbij de Zwitserse grens."
Ik vond het verdraaid veel als polikliniek klinken, maar dat zou vast toeval zijn.
Daarnaast, wat deed het er toe, we waren nog nooit verder van huis geweest dan de Weerribben,
dus was Poligny eerst avontuurlijk genoeg.
Uren en uren achtereen reden wij naar het zuiden.
Slechts het tanken hield ons enigszins op, maar daartoe
ziet men zich nu eenmaal wat vaker genoodzaakt met een tweedehandsauto.
Uiteindelijk arriveerden wij, door een kleine navigatiefout,
vlakbij een dorpje met de vrolijke naam Blayonce.
Aangezien Poligny nòg minstens een uur rijden zou zijn,
besloten we hier onze tent op te zetten, want de kans was groot dat ik mijn
benen anders nooit weer recht zou krijgen.
Daarnaast voldeed Blayonce precies aan onze wensen. Het was een klein en typisch Frans dorp.
Gelegen op een helling, boven een niet te diep en glooiend dal, met boomgaarden die
 doorliepen tot aan een rivier. Een schitterend uitzicht.
We besloten de auto te laten staan, en de tent bij de rivier op te zetten.
Hetgeen we deden, waarna we nog een aantal keren heen en weer liepen
om de rest van de spullen op te halen.    
's Avonds roosterden we knakworsten en goudhaantjes, meegenomen in de koelboxen,
boven het kampvuur. Dronken flessen wijn van twee gulden, bespeelden de gitaar
en zongen liedjes uit de arbeidsvitaminen.
Dat niet iedereen zo gelukkig als ons was bleek later op de avond.
Net toen Koop wilde beginnen aan"Bij de muur van het oude kerkhof",
doken er twee personen uit de duisternis op.
De een was een ongeschoren kerel met een vestje aan en een platte pet op zijn hoofd.
Naast hem stond Pipi Langkous.
Althans, met de vlechten die bijkant loodrecht op haar hoofd stonden, had ze er veel van.
Onmiddelijk wist ik dat zij de dochter van het heerschap dat naast haar stond moest zijn,
want de wildwaterbaan onder haar ogen, met een vorm waar menig
attractiepark patent op aan zou willen vragen, was nagenoeg identiek aan die van hem.
De man begon te grommen, waardoor ik in eerste instantie dacht dat hij ons wilde
waarschuwen voor beren, maar toen Pipi in de gaten kreeg dat wij geen Frans spraken, begon zij het in zeer gebrekkig Engels te vertalen.
"
Jullie kunnen hier niet blijven. Vader is bang dat het land in lichterlaaie komt te staan."
kon ik ontcijferen.
Nu wilde ik antwoorden dat wij voorzichtig zouden zijn,
als mij niet was opgevallen hoe Koop en zij elkaar ineens zaten aan te gapen,
ik even van mijn stuk gebracht was en zweeg. Een moment van onachtzaamheid waarin zij
overleg met vader Langkous pleegde, en daarna met de oplossing kwam dat we in
de stal bij hen konden overnachten. Om te laten zien dat de Fransen een gastvrij volk waren.
"
Waarom niet?" sprak Koop en ging staan.
Hij maakte Pipi duidelijk dat wij het een uitstekend idee vonden, en dat wij de uitnodiging
graag aanvaarden. Blijkbaar was overleg niet nodig.
Hetgeen ook onmogelijk voor Koop geweest zou zijn, want voor overleg ben je andere mensen nodig,
en vanaf dat moment bestond zijn wereld alleen nog uit Pipi,
die zoals later bleek Madeleine heette, en hemzelf. Er werd dan ook nergens meer aan gedacht.
En Cupido had goed toegeslagen.
De eerstvolgende dagen was Koop, als ik wakker werd, al uit de stal verdwenen.
Soms, als ik naar buiten liep voor water om me te wassen, zag ik ze al
picknicken bij de rivier, waar Koop haar het hele repertoire van Mieke Telkamp toezong.
En er volgden meer van dat soort situaties waardoor ik er genoeg van kreeg,
dit was niet wat mij voor ogen had gestaan.
Op een middag, toen ik Koop bij hoge uitzondering, weer enigszins in de realiteit kreeg,
vertelde ik hem dat ik de volgende dag alleen zou verder trekken.
Op de terugweg haalde ik hem wel weer op.
"
Dat is goed." was alles wat hij antwoordde.
In de anderhalve week die volgde hield ik mij wel aan ons plan en speelde gitaar bij zelfgemaakte
kampvuren, zong Lucky Lukeachtige liedjes, kwam in nog twee andere landen,
had veel plezier en reed de laatste dag terug naar Koop.
Aangekomen bij de boerderij zag ik hem met een beteuterd gezicht op een hek zitten.
"Wat kijk jij sip. Wat is er?" vroeg ik nadat ik was uitgestapt.
"Het is gebeurd met de liefde." antwoordde Koop.
"Ruzie?"
"Nee, er kwamen eergisteren anderen bij de rivier kamperen."