Joep

De ontvangst bij Mart en Frederique was hartelijk. De wijn en de hapjes die op tafel kwamen deden je de rit naar Callantsoog onmiddellijk vergeten, en stelden een gezellige avond in het vooruitzicht. En dat werd het ook. Zelfs de onfortuinlijke gebeurtenis waarbij ik de middenvoetsbeentjes van Joep, de hond, met mijn bergschoenen, maatje 45, voor een enkele seconde teisterde, hetgeen een aardige kreet van ongenoegen voortbracht, mocht de pret niet drukken. Hooguit was er even paniek. Logisch, voor hetzelfde teistert zo’n dier van nature direct hierna met zijn kronen je kuit, en die tetanusspuiten zijn de leukste ook niet.
Diep in de nacht, toen de wijn als roosvicee, en de verschillende hapjes naar elkaar begonnen te smaken, zochten wij het donsveren dekbed op om ons ten ruste te leggen. Het woord zochten dient hier door de roosvicee als zeer letterlijk beschouwd te worden, maar ondanks mijn fysieke gesteldheid, was ik de volgende ochtend als eerste uit de veren, en sloop na het douchen de trap af.
Joep, had blijkbaar nog geen mens verwacht; bij mijn verschijnen leek hij een sprongetje te maken, en de blik in zijn ogen deed een acute blindedarmontsteking vermoeden. Ik dacht echter dat hij op knappen stond, en besloot het dier uit te laten op het veldje dat achter het huis van Mart en Frederique is gelegen. Zo’n dier krijg je heel lastig op een wc-bril, dus dat is praktischer zal u begrijpen. Echter zonder riem, en dat had ik beter niet kunnen doen.
Heel schuchter volgde hij mij namelijk naar buiten, en op het veldje regelde hij zijn inwendige zaakjes inderdaad ook, waarna ik hem riep.
“Joep! Joep, kom!” Ja, wat roep je anders, nietwaar.
“Joehoep, kom dan!”
Ik liep naar hem toe, om hem te halen, maar Joep nam afstand. Dat gebeurde een vier keer, waarna ik begon te vermoeden dat het arme dier, bij het pletten van zijn grote teen de vorige avond, doodsbenauwd voor mij geworden. Die zal gedacht hebben: voor mij geen pedicure weer. Nu mag een hond denken wat hij wil, maar hij moet wel komen als je hem roept. Joep deed dit echter niet. Integendeel, na een paar tevergeefse pogingen om hem te grijpen, sprintte hij weg de hoek om.
Prettig op een zondagochtend om halfnegen en met een lever in de overuren. Toch in vol galop achter hem aan.
Ik had geen keus. Ik kon hem moeilijk laten lopen en later tegen Mart zeggen: Joep is even een halve witte gaan halen. Straks kwam hij nooit meer terug en dat wilde ik niet op mijn geweten hebben. Dus, in de achtervolging!
Geheel voorbijgaand aan zijn geblesseerde tenen, jakkerde Joep steegjes in, straten over en tuinen door. Naar bloemen en andermans bezit werd niet omgekeken, en na enige twijfeling, ook niet meer door mij. We belandden uiteindelijk in een fraaie achtertuin, en hier was ontsnappen onmogelijk. Aan beide zijden een schutting en ik sloot het tuinhek achter mij. Nu alleen Lassie grijpen en terug.
Ik sloot hem in en was hem uiteindelijk zo dicht genaderd dat ik mij op hem kon werpen. Hetgeen ik deed. Joep had echter het formaat van een half kalf, waardoor de worsteling nogal even duurde, en wederom sneuvelden er, onder bloeddorstig gegrom, bloemen, een enkel standbeeldje en een wankel pergolaatje. Maar ik had hem!
Even…
De eigenaar van het huis, een duidelijke afstammeling van Batavieren, kwam op dat moment namelijk naar buiten en wilde ook nog even worstelen. En dat hebben we ook even gedaan, nadat ik Joep vlug weer had losgelaten. Later op die dag, bij de polikliniek, hoorde ik van Mart dat Joep altijd “een blokje omgaat” na zijn behoeftes gedaan te hebben, maar vanzelf weer voor de deur verschijnt.
Nou, dan.