indringer

  Het zal ‘s nachts rond een uur of drie zijn geweest, dat ik ineens wakker werd en een paar gloeiende ogen mij aankeken. Aangezien mijn vrouw en ik vredig in slaap waren gevallen en ik de laatste vier uren geen verkeerd woord met haar had gewisseld, wist ik dat zij het niet was die mij observeerde. Omdat ik nog half in dromenland verkeerde drong het echter ook nog niet tot mij door dat het een forse, zwarte kater betrof. Ogenblikkelijk sprong ik dan ook overeind  in een poging de lichtschakelaar te bereiken om te kunnen kijken wat mij dan toch zo vuil zat aan te staren, maar hierdoor schrok de kater weer, die dat uitte door met een onbeheerste kreet zijn nagels in mijn voet te plaatsen, waardoor ik op mijn beurt weer een schreeuw de slaapkamer ingalmde, maar uiteindelijk dan toch licht in de duisternis wist te brengen.
Men waant zich op zo’n moment enigszins in een griezelfilm, en ik had al een paar maal geslikt, voor ik de suggestie wist terug te brengen tot de realiteit. Een forse zwarte kater zat met gekromde rug op mijn voet, zich hevig aan mijn been vastklampend alsof hij deelnam aan het Lemster Kampioenschap Paalglijden. En het leed was nog niet geleden. Welnee. Tot mijn vreugde kreeg mijn vrouw op het moment dat ik het licht aandeed, het serpent ook op het netvlies. Hevig gegil volgde, waardoor de kater zijn positie op mijn voet verstevigde door zijn nagels nu tot mijn pezen te drukken, en ik gedwongen werd nogmaals de kreet van een Zeeuwse buizerd te imiteren.
“Het huis uit met dat beest! Van wie is die?! Waar komt die vandaan?!” schreeuwde Ageeth nogal paniekerig. Ja, ze kon me wel meer vragen, maar zo’n dier draagt in de regel geen ID-kaart bij
 zich. Terwijl mijn vrouw haar vragen op mij afvuurde en de kinderen ook eens kwamen kijken wat er aan de hand was, trok de kater zich los uit mijn middenvoetsbeentjes en deed een korte sprint naar de trap die hem naar de zolder leidde. Ik zette de achtervolging in. Halverwege de trap vermoedde ik dat het dier eerder die dag naar binnen was geslopen en later niet meer naar buiten had weten te komen. Het was echter duidelijk dat meneer naar buiten moest. Je zou denken dat de kater dit zelf toch ook zou begrijpen, maar blijkbaar wilde hij het niet aanvaarden dat wij volledig gelukkig zijn met het feit dat ons gezin uit vier personen en een hamster bestaat. Dat bleek ook al snel toen ik hem eenmaal achter een kast had gelokaliseerd en hem wilde oppakken.
“Poesje mauw. Kom eens gauw. Ik heb lekkere melk voor jou...” zong ik in een poging het vertrouwen van het dier te winnen. Helaas nam hij het middelste zinnetje echter wat te letterlijk, want ik was nog niet uitgezongen of het secreet sprong met een blazend geluid recht op mij af. Even later zat hij om mijn hoofd geslagen en scherpte zijn klauwen ditmaal aan mijn jukbeenderen. Het werd mij op dit moment duidelijk dat ik te maken had met een nogal vals exemplaar kater, want zo slecht zing ik nu ook weer niet. Het gevecht duurde nog geen minuut en nadat ik de pijn wist te verbijten, het schreeuwen had gestaakt en mijn ogen opende zag ik in een flits dat het mormel met een wilde blik in zijn ogen en met zijn haren recht overeind, via de trap de zolder ontvluchtte.
Dit vergde rigoureuze maatregelen, zo begreep ik. Ik diende nu geen rekening meer te houden met de inboedel. Het ging er nu om dat deze indringer ons huis verliet, en ging het niet goedschiks dan zeker kwaadschiks. Net op het moment echter dat ik mij met de schep vanuit de huiskamer weer naar boven wilde begeven, kwam ik mijn dochtertje tegen met mijn agressieve tegenstander op haar arm.
“Poesie lief.” klonk het eerder bevestigend dan vragend, terwijl ze me verwijtend aankeek.
Ze wist niet waar ze het over had, want het leek alsof ik een blindedarmoperatie via mijn oren had ondergaan en dat kreng in haar armpjes droeg daarvoor de verantwoording. Eenmaal bij de achterdeur liet ze hem zachtjes op de grond zakken, en duwde hem voorzichtig naar buiten.
“Poesie lief.” klonk het nogmaals.
Ik liet het maar zo.
Het was mij inmiddels laat genoeg.