Hut

Geinspireerd door Robin Hood, en op de zorgeloze leeftijd van twaalf jaar, besloten Michel en ik een hut te bouwen. Over waar wij onze vestiging wilden doen oprijzen, behoefden wij niet lang na te denken: de dichtbegroeide geluidswal, die sinds jaren vlak bij onze ouderlijke onderkomens was gelegen, bood een schitterend alternatief voor Sherwood Forrest. We besloten maar weinig mensen van onze voornemens deelgenoot te maken, voor je het weet vinden anderen dat de hut van hun is, zoals grotere jochies van dertien jaar, of je kan je verheugen op de constante aanwezigheid van zusjes. Die weer een roedel vriendinnetjes meenemen, waardoor het geheel meer op een poppenhuis gaat lijken dan op een hut. Zodoende kwamen wij al snel tot een logische conclusie, na het graven, zachtjes timmeren en camoufleren.
“We moeten de hut beveiligen.” sprak Michel op een ochtend.
“Goed idee.” antwoordde ik, omdat ik dat vond.
“Maar hoe?” vroeg ik, want het zou nog jaren duren voordat de mannen van Schaaf Beveiliging in het dorp zouden worden gesignaleerd.
“Met vallen! Mijn vader heeft nog een boek liggen uit het leger, en daar staan allerlei zaken in. Hoe je jezelf bijvoorbeeld het beste kan beschermen bij een bombardement, maar ook het maken van vallen in een bos.”
Hoewel ik die dag niet direct een B-52 bommenwerper boven de geluidswal verwachtte, was ik de mening wel toegedaan dat we ons beslist eens in het boek zouden moeten verdiepen. Na dit een uur gedaan te hebben, togen wij naar de hut en gingen aan de slag. Nog eens drie uren later was onze hut omgetoverd tot een vesting. Binnen een straal van een vijftien meter bevonden zich achttien vallen, en als ik niet tegen Michel had gezegd dat de valkuil met spiesen iets teveel van het goede was, waren het er zelfs negentien geweest.
Toch, ondanks al onze inspanningen, werden wij uit onze hut verdreven. Een gegeven dat geheel aan Michel moet worden toegeschreven.
Die begon namelijk na een dag of vier te twijfelen of de vallen wel zouden werken, en vroeg zijn zusje, en haar vriendinnetje, alsnog langs te komen. Hetgeen ze op een middag deden, met alle gevolgen vandien.
Net bezig met het nog beter camoufleren van de hut, hoorden wij een duidelijk kinderstemmetje een kreet slaken, die nu alleen nog, en zelfs daar sporadisch, in Transsylvanië gehoord kan worden. Onmiddellijk renden wij in de richting vanwaar het geluid was gekomen, en zagen Michel zijn zusje, met wat bloed, en de duidelijke afdruk van een wortelstronk boven de rechterwenkbrauw, tegen een boompje zitten. Direct nadat haar oogjes wat minder gingen draaien, rende ze, huilend, en met grote adempauzes, naar huis.
Waarna haar vader een kwartier later, met de nodige verwondingen, en ondanks het snelgebed van Michel dat de vallen beter mochten werken dan in het boek stond vermeld, bij de hut aankwam, en
op uiterst primitieve wijze duidelijk maakte dat hij zijn boek terug wilde hebben.
Na juist op tijd het hazepad gekozen te hebben, en druk bezig weer wat op adem te komen, stonden wij voor een raadsel. Want het was ons duidelijk geworden dat een en ander niet op prijs werd gesteld, maar hoe heeft dat ooit met de vader van Robin Hood gezeten?