Huifkar

Een aantal jaren terug verbleven met een aantal spelers van ons voetbalteam, een drietal dagen in Winterberg. De keuze was op dit dorp gevallen, omdat een van de spelers, er een jaar gewerkt had, en volgens hem was het een ideale plek om een weekend door te brengen. Een paar uur na aankomst scheen hij gelijk te hebben, zodat ik hem complimenteerde.
“Leuk hier, Ton. Gezellig. Precies zoals je zei. Wat voor activiteiten hebben we zoal in petto?”
“Ja, leuk he? Nou, morgen gaan we een rit met een huifkar maken. De bergen in. Barbecueën. Anders zitten we hier toch maar wat in de kroeg.”
“Leuk.” loog ik, want ik hou niet van bergen. Ik heb namelijk hoogtevrees, en hoewel ik daar tot nu toe weinig hinder van had gehad, moet men de grens van zijn geluk ook niet opzoeken.
De volgende ochtend reden we met een Zuid-Duits paard, wagen en bestuurder de bergen in. Omdat het mistig was en de ogen van de bestuurder mij onmiddellijk aan Clarence de leeuw uit de tv-serie Daktari deden denken, besloot ik hem van mijn angstgevoelens deelgenoot te maken. Overigens, zonder zijn ogen te noemen.
“Ach, macht u sich geen zorgen, mein herr. Deze dieren lopen dit stuk zo vaak. Eigenlijk hoef ik niet eens mee, want ze kennen dit stuk uit hun hoofd.” De stand van zijn ogen in beschouwing nemend, hoopte ik dat dan maar, en hij bleek gelijk te hebben. We kwamen heelhuids aan op de plek waar de barbecue moest plaatsvinden. Iedereen stapte uit, behalve ik, want ik had het koud.
“Ik wacht wel even tot jullie het vuur hebben aangestoken.” riep ik. Het moet na deze woorden, en doordat het ontsteken van het vuur nogal even duurde, geweest zijn dat ik in slaap viel en pas weer wakker werd nadat ik van het bankje afstuiterde. Ik voelde dat de wagen met een behoorlijke vaart, de berg weer af reed. Op zich normaal, ik had de barbecue blijkbaar gemist, als er maar een bestuurder op de bok had gezeten! Die zat er niet… Nee, die zat er niet.
Terwijl ik in paniek probeerde te gaan staan, zag ik Clarence ditmaal niet aan de voorkant van de wagen, maar aan de achterkant van de huifkar. Zo’n dertig meter achter de huifkar, om precies te zijn. Hetgeen op zo’n moment de vakantiepret toch wat doet drukken, zoals u begrijpt.
“Bremse, bremse!” riep hij voortdurend, maar ik begreep niet hoe bramenstruiken hier zouden kunnen helpen, en allerlei vragen schoten door mijn hoofd.
Was het paard op hol geslagen?
Was de kar begonnen te rijden, en moest hijzelf wel rennen om er niet onder te komen?
Had Clarence de kar niet op de rem gezeten?
Kun je met een huifkar vliegen?
“Help! Hilfe! Help en hilfe! Ren dan harder, Lucky Luke!” riep ik naar Clarence, maar dat zou hem niet lukken. Eenmaal zelf op de bok, zag ik dat de teugels onbereikbaar voor mij geworden waren, en aangezien ik geen Roy Rogers heet, werd de angst groter. Ik hoopte maar dat het dier zijn rijbewijs had, en de regels bij het oversteken een beetje in acht nam.
Soms gingen we zo dicht bij de rand van het pad langs dat ik, ondanks de mist en het feit dat zodoende geen diepte kon zien, het spreekwoord: De mens lijdt het meest aan de dingen die hij vreest, steeds beter begreep.
“Hoooo, hoooo!” riep ik zo hard, dat het paard bijkant acuut last van het trommelvlies moet hebben gehad, maar blijkbaar kon het dier geen Fries, en stopte niet.
Na een lijdensweg van tien minuten, doodszweet, en een bocht gebeurde dat pas in het dorp. In de straat waar ook de stallen waren. Een kwartier later kwam ook Lucky Luke hijgend en puffend aangehold, met net zoveel schuim rond zijn mond als het paard.
Waarna ik hem direct, en een ietwat hardhandig, vroeg waarom hij niet begreep dat paarden die uit zichzelf naar boven kunnen, er ook niet voor terugschrikken, zelf weer naar benden te gaan.