Hobby

Na enkele ongelukkige voorvallen die ik al op jeugdige leeftijd mocht beleven, beoordeelden mijn ouders tot ongeveer mijn zestiende levensjaar nogal kritisch de toelaatbaarheid van bepaalde hobby's.
Zo raakte ik o
p twaalfjarige leeftijd geheel in vervoering van de scheikundedoos.
Op zich onschadelijk speelgoed; het ziet er aardig uit en er valt leuk mee te experimenteren, maar ik wou meer, en wat doe je dan als leergierig persoontje? Juist, je leent ongevraagd eens wat mengsels en andere poedertjes uit het scheikundelokaal op school, en voor je het weet ben je met zaken bezig die niet in het bijgeleverde experimentenboekje voorkomen.
Zo schijn ik het buskruit op een herfstige namiddag nogmaals uitgevonden te hebben. Dat was tenminste de conclusie van de arts die mij het gehoor na de explosie probeerde terug te geven, maar ook de man van Woningbouwvereniging Volksbelang, die kwam vertellen dat het nieuwe dak alsmede de raampjes uit de eigen verzekering bekostigd dienden te worden, was die mening toegedaan. Over de gebraden duiven die spontaan in de tuin waren geland, en eigendom waren van buurman Vredering, heb ik nimmer meer iets gehoord. De kapper die mij drie dagen later weer een kapsel probeerde aan te meten, en hieraan enigszins voldeed door mij een Mohikanenlook te geven, hield het bij balorigheid, maar sprak verder niet teveel over het onderwerp. Logisch, ik wist de formule nog.

Op mijn vijftiende wilde ik maar wat graag een crossbrommertje.
'En weer met ongelukken thuiskomen, zeker? Laat ik het niet merken dat je op zo'n ding zit, dan breek ik liever persoonlijk je beide benen.' Ook zo'n dijenkletser.
Aangezien ik wist dat het met dat benen breken wel wat mee zou vallen, scheurde ik een tijdje later toch op een donderdagmiddag met het opgevoerde brommertje van mijn kameraadje Jim, door de straten en smalle steegjes die ons dorp kent. Totaal onbevreesd.

Angstig werd ik pas toen ik een bocht inging en onmiddellijk begreep dat ik deze niet in verticale positie zou voltooien. De schim op de fiets die ook nog eens in mijn linkerooghoek opdook en zich met doodangst het vege lijf probeerde te redden, raakte ik vol op het achterspatbord, waarna bijkant een halve circusact volgde. De schim kreeg een extra zetje, verloor de controle over het stuur en kwam met het voorwiel van de grond. Waarna met behoorlijke vaart de openbare weg werd verlaten en met een halve schroef het struikgewas werd opgezocht.
Gevolgd door enkele stengels prei en een doos negerzoenen.
Na de stukken vel bij mijzelf weer een beetje op de juiste plek te hebben geplaatst en het bloed weggeveegd te hebben, hinkte ik naar de spartelende benen die in onmacht uit het kreupelhout staken.
Na een korte periode van gesjor aan een enkel, alsmede hevig getrek aan beide benen en enige verwensingen, lukte het de schim met mijn hulp uit de benarde positie te ontsnappen.
Even later keek mijn moeder, niet echt vrolijk voor een donderdagmiddag, en een tak door de lokken gestoken, mij recht in de oogjes.
Met een:
'Hoi mem, eten we prei vanavond?' probeerde ik het ijs nog te breken, maar dat mocht niet baten.
Eenmaal weer thuis viel het, zoals gezegd, met dat benen breken wel mee, maar ik begreep dat ik het eerste half jaar niet weer over nieuwe hobby's hoefde te beginnen.