duiven

Ik was op weg naar huis, na een bezoek aan de grote stad, toen er halverwege een oudere man met een duivenmand instapte. Ondanks dat de bus halfvol, en dus halfleeg was nam hij plaats naast mij, hetgeen nogal moeizaam ging door de bijna onhandelbare mand, maar het lukte.
Na zo'n twintig minuten, waarin we niet tegen elkaar gesproken hadden, vroeg hij ineens:
"Houdt u van duiven?"
Ik antwoorde dat ik het wel aardige dieren vond.
"
Ik wel,' zei hij, "ik heb ze al sinds ik een kind was."
Ik zou bijna vragen hoelang dat geleden was, maar deed het toch maar niet.
"
Die duiven in uw mand," vroeg ik hem, "moeten die vandaag ook vliegen?"
"
Nee, ik ben op weg naar een tentoonstelling. Ik heb naast gewone duiven namelijk
ook sierduiven, ziet u. Ik heb hier tuimelaars. Die laten zich zo uit de lucht naar beneden
storten en vlak bij de grond vliegen ze weer omhoog. Prachtige dieren."
"
En uw vrouw, wat vindt zij van duiven?"
"
Ach, mijn vrouw. Mijn vrouw die zie je niet bij de duiven. Ik denk dat ze zich nog schaamt.
Ziet u, eind jaren vijftig werden mijn buurman en ik bijna gelijktijdig werkloos.
En u weet, dan had je het niet al te breed.
Dus toen ik binnen een paar weken steeds meer sierduiven kwijtraakte
dacht ik dat de buurman ze misschien stiekem uit mijn hok haalde,
omdat hij de eindjes niet meer aan elkaar kon knopen, en hij graag vlees bij zijn
groenten mocht ontdekken.
O
p een dag, mijn vrouw was naar haar moeder, besloot ik een val te maken.
Wie eenmaal het duivenhok zou binnengaan, zou door een slim bedacht mechaniek
het hok niet meer uit kunnen en ik zou de dief op heterdaad betrappen.
`s Avonds lag ik al vroeg in bed en begon al wat in slaap te geraken, toen ik ineens
de balk voor de deur van het duivenhok hoorde vallen.
Ik sprong van bed, struikelde op de overloop, maar haalde toch heelhuids het hok.
'Buurman, ik heb je!' riep ik.
Maar ik had hem niet, want toen ik de deur van het hok opende en het licht aandeed,
stond ik oog in oog met mijn bloedeigen vrouw, die net de Witte in haar handen had.
Ik vroeg: "Wat doe jij nou hier?!"
En ineens werd het me duidelijk; ik zat al  een paar weken mijn eigen duiven op te peuzelen!
Ze schrok zich rot en liep op me af, sloeg haar armen om me heen en begon te huilen.
'Willem," zei ze, 'ik wilde het je vertellen, maar ik durfde niet.'
Ze begon me uit te leggen dat het bij ons ook steeds krapper werd,
maar ze er toch voor wilde blijven zorgen dat we niets te kort kwamen.
Lief bedoeld, is het niet?"
Ik knikte.
"En hoewel ik gek ben met mijn duiven, hebben we er later,
toen ik weer werk had, nog weleens om gelachen.

Vooral om wat ze zei toen ik vroeg; 'Maar waarom mijn sierduiven?'
Weet u wat ze zei? 'Nou, die vast lekkerder zijn dan gewone duiven.'
Een duif is een duif, meneer!"