Dienst

Ook voor Koop viel op zijn negentiende de enveloppe door de brievenbus: over drie weken moest hij zich in Groningen melden voor de dienstkeuring. Hij bracht mij het nieuws met een lichte huivering in zijn stem.
Ik reageerde laconiek. Natuurlijk, omdat het niet om mij ging, maar ook omdat ik toen al wist dat de dienstplicht aan mij voorbij zou gaan. Want, hoewel ik wel al de keuring had ondergaan, ik ben acht maanden ouder dan Koop, behoefde mijn lichting zich later van ’s lands militaire top niet daadwerkelijk bij een van de kazernes te melden.
En van dat nieuws was ik ten tijde van Koop zijn bericht al lang en breed op de hoogte,
en ik kan u melden;
dat praat een stuk gemakkelijker. Maar ik probeerde hem te steunen.
Ik gaf hem gelijk in al zijn argumenten waarom ze hem gingen afkeuren,
en voegde er zelfs nog een paar aan toe.
“Ach, het zal wel meevallen. Ik kom nooit door die keuring, wat denk jij?”
“Welnee, joh. Je kreeg voor gymnastiek immers altijd een vijf.
En met zo’n lui oog zullen ze je ook wel niet als scherpschutter willen hebben.”
Koop schudde zijn hoofd.
“En mijn knieën ? Wat denk je van mijn knieën ?”
“Lelijk.” antwoordde ik uit de grond van mijn hart.
“Dat bedoel ik niet, man! Ik bedoel, ik heb immers altijd last van mijn knieën !”
“Oh, op die manier. Ja, jazeker. Ja, maar dat zien ze daar vlug genoeg, joh. Dat komt wel goed.”
Koop knikte instemmend.
“Ja, je hebt gelijk. Dat zal wel snor zitten.”
Nu zaten Koop en ik er op dit punt even naast, want hij doorstond de keuring glansrijk en
Koop moest gewoon zijn dienstplicht vervullen. En het moet gezegd: dat deed hij naar behoren.
Hij voerde iedere opdracht zonder mokken uit, groette iedere meerdere op de juiste wijze,
en toonde onberispelijk gedrag. Hij mocht dan ook ieder weekeinde naar huis.
Slechts eenmaal, in al die maanden, leek het er even op dat Koop een weekeinde of vijf
 op de kazerne moest blijven. Dat was toen Koop wacht moest lopen, en staande in slaap viel.
Op de MAVO kon hij dat al zittend, dus u hoeft zich niet te verwonderen dat hij dit nu staande kon.
Het was nacht, en zoals gezegd, Koop stond bij de poort, voor zijn wachthok.
Hoe later het werd, hoe meer slaap Koop kreeg, en op een bepaald moment bevond
onze vriend zich dan ook in dromenland. Nog niets aan de hand, ware het niet dat de sergeant
eens polshoogte kwam nemen.
Langzaam liep hij naar Koop, die rustig doorging met zijn werkzaamheden,
en de sergeant ging recht voor hem staan, waarna hij tot zijn verbazing ontdekte
dat onze vriend zijn ogen dicht had.
Van woede duurde het een paar seconden voordat de sergeant kon reageren, en in die paar seconden ontwaakte Koop.
Zijn geluk was dat hij niet ineens zijn ogen opende, maar eerst door zijn wimpers keek,
en de man herkende. Hij begreep dat hij nu snel iets moest verzinnen.
En of het nu door het dutje kwam, of dat hij van nature weleens een geniale inval heeft, daarover wil ik niet twisten, maar net toen de sergeant hem wilde toebrullen waar hij dacht mee bezig te zijn, knikte Koop
met zijn hoofd, en sprak slechts een enkel woord dat de sergeant uit frustratie tot pure razernij moet hebben gebracht, maar onze kameraad vrijwaarde van iedere straf.
“Amen!” sprak Koop,
opende zijn ogen nam de juiste houding weer aan, en keek om zich heen alsof ons dierbare land,
ieder moment een invasie kon verwachten.